Project : Hoestende koeien en milk drop syndrome: staalname op probleembedrijven
1.Aanvragers:
· Faculteit diergeneeskunde:
o Vakgroep Inwendige Ziekten van de Grote Huisdieren, Prof. Dr.P Deprez, da. B. Pardon, da P. De Schutter
o Vakgroep Virologie, da S. Van Poucke
· DGZ-Vlaanderen, K. De Bleecker (VEEPEILER Rund)
2.Inleiding
De laatste drie jaar worden zowel Dierengezondheidszorg Vlaanderen als de Faculteit Diergeneeskunde geconfronteerd met meldingen van praktijkdierenartsen over groepsuitbraken bij melkkoeien, gekenmerkt door ademhalingssymptomen (hoest), hoge koorts, duidelijke melkdaling en oedeem aan de ledematen en rond de ogen. Op sommige bedrijven verdwijnt de problematiek nadat bijna elk dier ziek geworden is, terwijl de toestand op andere bedrijven chronisch wordt met hervallers en een gevoel van algemene ‘immunosuppressie’ door de eigenaar.
In 2008 werden 4 zulke bedrijven door de vakgroep Inwendige Ziekten van de Grote Huisdieren bezocht (of werden er stalen van ontvangen), zonder duidelijke diagnose. In 2009 werden opnieuw twee bedrijven bezocht, meer bepaald in de Kempen. In die regio werden door twee onafhankelijke praktijken, 4 bedrijven met gelijkaardige problematiek gemeld. Ook VEEPEILER Rund bezocht zo’n bedrijf, en kon toen de aanwezigheid van Anaplasma phagocytophilum aantonen. Op een ander bedrijf (Fac. Dgk.) toonde zowel het pre- als convalescerende serum hoge antistoffentiters tegen deze kiem.
Het klinische beeld op bedrijfsniveau was gelijklopend, maar toch zeer variabel op de betrokken bedrijven. Onderzoek naar klassieke pathogenen (IBR, BVD, RSV, Mannheimia haemolytica, Pasteurella multocida, Mycoplasma bovis en longwormen) leverde geen sluitende diagnose op. Opvallende kenmerken op diverse bedrijven zijn ook speekselen, roodverkleuring van de neusspiegel en kreupele koeien. Op andere bedrijven werd slokdarmdilatatie/dysphagie vastgesteld (met aspiratiepneumonie tot gevolg. Beide problematieken zijn beschreven bij blauwtong (BT) en epizootic haemorrhagic disease virus (EHDV) (Bexiga et al., 2007; Bréard et al., 2004; Pardon et al., 2008; Van Wijckhuise et al., 2006). Omwille van de aanwezigheid van deze symptomen werden 4 bedrijven reeds getest voor BT (as-elisa en pcr) en één voor EHDV (pcr en as-ELISA) op het CODA/CERVA. Alle PCR’s waren negatief, de antistof-ELISA’s voor BT waren positief. In de literatuur zijn er verder gegevens over verschillende ziektes beschikbaar die naar symptomatologie toe, enige of veel overlap geven met de waargenomen problematiek. Eerst en vooral zijn er wat vragen naar de rol van arthropod born diseases toe. De ziektes, overgedragen door de teek Ixodes ricinus, die het best bij het syndroom horen zijn Anaplasmose (Anaplasma phagocytophilum) en Lyme disease (Borrelia burgdorferi) (Maillard et al., 2009; Pusterla et al., 1995, Pusterla et al., 1997). De vector is wijd verspreid in België, maar er is geen informatie over de hoeveelheid teken die geïnfecteerd zijn. De tot nu toe gerapporteerde bedrijven, komen uit de Kempen, waar weides vaak aan een bosrand of hoog gras grenzen.
In de literatuur wordt het milk drop syndrome recentelijk ook gelinkt aan seroconversie voor de humane influenza A virussen (H1N1 en H3N2) (Crawshaw et al., 2007). Andere onderzoeksgroepen ontkennen deze bevinding, en tonen seroconversie aan zonder symptomatologie (Graham et al., 2002). Asymptomatische seroconversie voor hoog pathogenen aviaire influenza (H5N1) werd reeds aangetoond (Kalthoff et al., 2008). Postvaccinale melkdaling is ook beschreven, en is afhankelijk en verschilt van vaccin tot vaccin (beschreven bij geïnactiveerde vaccins) (Bergeron and Elsener, 2008). Diverse van de opgevolgde bedrijven in Vlaanderen vertoonden eveneens problemen kort na vaccinatie. Over de rol van stof (stro-automatische hakselaars/verspreiders) als veroorzaker van koorts, ademhalingssymptomen en milk drop op groepsniveau is er weinig gekend in de literatuur.
3. Doel van de studie
Het doel van deze studie is een beter inzicht krijgen in de problematiek van de ‘hoestende koe/milk drop syndrome’ in Vlaanderen, en dit zowel naar definitie/onderverdeling van het syndroom als naar etiologisch agens toe.
· Een goede beschrijving van de waargenomen symptomen en de bedrijfssituatie van de bedrijfsproblemen. Dit om nuances tussen de presentatievormen aan te tonen, en ter bevestiging of het wel degelijk één of meerdere entiteiten betreft.
· Ten tweede, een diagnostische work-out naar diverse gekende en ‘opkomende of nooit onderzochte’ oorzaken toe.
4. Materiaal en methoden
10 uitbraken met 10 zieke runderen per bedrijf zullen onderzocht worden.
4.1 Klinisch onderzoek en anamnese
Om aan de eerste doelstelling te voldoen worden 20 dieren (10 acuut zieke dieren en 10 controles) onderzocht tijdens het bedrijfsbezoek (uitgevoerd door dierenartsen (2) vakgroep inwendige ziekten en bedrijfsdierenarts). Een klinische lijst (bijlage 1) wordt ingevuld per geval en foto’s worden genomen ter opvolging en vergelijking van het klinisch onderzoek tussen de dierenartsen. Bij het 1ste bezoek (acute stalen) wordt dit ingevuld door de dierenarts van inwendige (met de bedrijfsdierenarts), bij de convalescerende stalen wordt dit door de bedrijfsdierenarts ingevuld.
Een bedrijfsanamnese wordt afgenomen tijdens het bedrijfsbezoek, met aandacht voor huisvesting, voeding, vectorbestrijding en vaccinatie.
4.2 Staalnameprotocol: 10 acuut zieke dieren en 10 controledieren
4.2.1 Acute stalen
4.2.1.1 1 EDTA buisje en 2 serumbuisjes per dier
4.2.1.2 Broncho alveolaire lavage bij 3 dieren
4.2.1.3 Mest
4.2.2 Convalescerende stalen
4.2.2.1 1 EDTA buisje en 2 serumbuisjes per dier
4.3 Geplande analyses zieke dieren
4.3.1 EDTA-bloed
4.3.1.1 Hematologie (beide stalen) (detectie leukopenie/leukocytose) + uitstrijkje (intracellulaire organismes, eosinophilie,…)
4.3.1.2 PCR Anaplasma (enkel acute staal)
4.3.1.3 Bewaren in diepvries (ev. IBR, BT, EHDV,…)
4.3.2 Gepaarde sera
4.3.2.1 Bepaling seroconversie voor: Anaplasma phagocytophilum, Mycoplasma bovis, influenza (H1N1 en H3N2), IBR gE, PI3, RSV , Adenovirus en BVD
4.3.2.2 Bewaren stalen in diepvries: ev. Latere analyse voor Q-Fever, Borellia burgdorferi, BT, EHDV, ,… mogelijk.
4.3.3 Mest
4.3.3.1 Onderzoek voor longwormen.
4.3.4 Broncho-alveolaire lavage
4.3.4.1 Cultuur bacteriologie + mycologie
4.3.4.2 Cytologie (cytospin)
4.3.4.3 Invriezen (-80°C) voor later viraal onderzoek
Controles: alle stalen worden bewaard (diepvries) voor ev. later onderzoek
5. Begroting
· Hematologie: 9€ x2=18€
· IBR gE (5.4)x2=10.80€
· BVD Asn (3.9)x2=7.8€
· BRSV Asn (3.8)x2=7.6€
· PI3 asn (3.8)x2=7.6€
· Adeno asn (3.8)x2=7.6€
· Mycopl. Bovis (3.8)x2=7.60€
· Longwormen 8.5€
· A. phagocytophila (18)x2= 36 of als we de A. marginale test kunnen gebruiken (kruisreactie) 7.5€x2=15€
· Anaplasma PCR=38€ voor de eerste (volgende +10€)
· Uitstrijkje: 1€
· BAL(10) + bacteriologie(18)=28€
· Influenza: 2 subtypes op 100 stalen X 2; Dit in 4 rondes van 50 af te werken; Dus 20€ (opzetforfait) + 6€ x 50 stalen x 4= 1280€
· Geen vergoeding voor werkuren en kilometervergoeding door Vakgroep Inwendige Ziekten Grote Huisdieren voorzien.
178.5 euro voor het eerste dier ( met testkit A. marginale= 157.5€)à Voor 10 dieren: 1785 – 252 (correctie voor PCR Anaplasma)=1533 per bedrijf( met test A. marginale=1323€ per bedrijf
Totaal voor 10 bedrijven: 15330€ (of 13230€ met testkit A. marginale)
Kostprijs voor Influenza: Influenza: 2 subtypes op 100 stalen X 2; Dit in 4 rondes van 50 af te werken; Dus 20€ (opzetforfait) + 6€ x 50 stalen x 4= 1280€
Totaal=16610€ (of 14510€ met testkit A. marginale)
Rapportering en communicatie: 1000€
17610€ (of 15510 met testkit A. marginale)
6. Referenties
Bergeron R. Elsener J. (2008). Comparison of postvaccinal milk drop in dairy cattle vaccinated with one of two different commercial vaccines. Veterinary Therapeutics 9, 141-146.
Bexiga R. Guyot H., Saegerman C., Mauroy A., Rollin F., Thiry E., Philbey A.W., Logue D.N., Mellor D.J., Barrett D.C., Ellis K. (2007). Clinical differentiation of malignant catarrhal fever, mucosal disease and bluetongue. Veterinary Record 161, 858-859.
Bréard E., Sailleau C., Hamblin C., Graham S.D., Gourreau J.M., Zientara S. (2004). Outbreak of epizootic haemorrhagic disease on the Island of Réunion. Veterinary Record 155, 422-423.
Crawshaw T.R., Brown I.H., Essen S.C., Young S.C.L. (2007). Significant rising antibody titres to influenza A are associated with an acute reduction in milk yield in cattle. Veterinary Journal 178, 98-102.
Kalthoff D., Hoffmann B., Harder T., Durban M., Beer M. (2008). Experimental Infection of cattle with highly pathogenic avian influenza virus (H5N1). Emerging Infectious Diseases 14, 1132-1134.
Graham D.A., Calvert V., McLaren I.E. (2002). Retrospective analysis of serum and nasal mucus from cattle in Northern Ireland for evidence of infection with influenza A virus. Veterinary Record 150, 201-204.
Maillard R., Petit E., Haddad N., Boulouis H.J. (2009). Ruminants and arthropod borne zoonotic diseases. Proceedings of the 1st European Buiatrics Forum, Marseille, p 41-49.
Pardon B., Vandenberghe V., Ducatelle R., Deprez P. (2008). Oesophageal paresis in cattle associated with Bluetongue serotype 8 infection. Proceedings of the XXV World Buiatrics Conference, Budapest, Hungary, p 79-80.
Pusterla N., Wolfensberger C., Lutz H., Braun U. (1997). Serologische Untersuchungen über das Vorkommen der bovinen Erlichiose in den Kantonnen Zürich, Schaffhausen, Thurgau, St. Gallen und Obwalden. Schweizer Archiv für Tierheilkunde 139, 543-549.
Pusterla N., Braun U. (1997). Clinical findings in cows after experimental infection with Erlichia phagocytophila. Zentralblat Veterinarmedizin 44, 385-390.
Van Wujickhuise L., Dercksen D., Muskens J., de Bruijn J., Scheepers M., Vrouenraets R. (2006). Bluetongue in the Netherlands: description of the First clinical symptoms just a little different and in too many herds. Tijdschrift voor Diergeneeskunde 131, 649-654.