Onderzoek naar het voorkomen en het belang van schurft in Vlaanderen en de redenen van variatie in deze schurftproblematiek tussen Vlaamse rundveebedrijven.
1. Aanvragers:
- Prof. Dr. Jozef Vercruysse, Dr. Johannes Charlier en dierenarts Charlotte Sarre; Vakgroep Virologie, Parasitologie en Immunologie; Faculteit Diergeneeskunde; Universiteit Gent
- Prof. Dr. Piet Deprez; Vakgroep Interne geneeskunde en klinische biologie van de grote huisdieren
- Dr. Koen De Bleecker, DGZ Vlaanderen
2. Situering van het project:
2.1. Pathologie en economisch belang
Runderen kunnen besmet zijn met drie verschillende schurftmijten, maar in België is Psoroptes ovis de meest voorkomende en belangrijkste schurftmijt. Sarcoptes en Chorioptes-schurft zijn van weinig belang omdat ze ofwel zeer zeldzaam ofwel relatief goedaardig zijn (Pouplard et al., 1990).
Psoroptes-schurft is in België bijna uitsluitend een probleem op bedrijven met Belgisch Wit Blauw vleesras (BWB). De reden voor de grote gevoeligheid van dit ras is echter onduidelijk (Losson et al., 1999).
Letsels van Psoroptes-schurft komen het meest voor van schoft tot staartpunt, waarbij scherp begrensde, met een dikke korst bedekte letsels ontstaan. Dikwijls ziet men dat de letsels zich verspreiden over het gehele lichaam. De korsten zijn aan de onderkant vochtig. Door likken en schuren worden haren en korsten weggeschuurd en ontstaat een kale en geïrriteerde huid, waarbij de schuurletsels secundair geïnfecteerd kunnen worden.
Psoroptes-schurft veroorzaakt bij opgroeiende dieren een belangrijke groeivertraging. De economische schade staat in directe verhouding tot de uitgebreidheid van de letsels: jonge opgroeiende dieren derven 30 gram daggroei per procent aangetast lichaamsoppervlak in vergelijking met schurftvrije dieren (Lonneux et al., 1998; Rehbein et al., 2003). Door Psoroptes aangetaste huiden leveren een inferieure kwaliteit leer op. Tenslotte is ook het dierenwelzijn van (zeer) groot belang: aangetaste dieren hebben pijn en staan constant te schuren door de intense en continue jeuk (Lips et al., 2006).
2.2. Probleemstelling
De schurftproblematiek bij runderen is vooral een Belgisch probleem. In andere landen worden zelden problemen gerapporteerd. De enkele case reports over ‘therapieresistente’ schurftinfecties bij runderen in het buitenland, betreffen dikwijls geïmporteerde dieren van het Belgisch Wit Blauwe ras (Minihan et al., 2002; VLA Surveillance report, 2008).
De laatste jaren geven praktijksignalen aan dat Psoroptes-schurft sterk in belang is toegenomen op bedrijven met BWB. De aandoening wordt nu een zeer belangrijk bedrijfsprobleem omwille van de volgende redenen: in tegenstelling tot vroeger, komt de ziekte tegenwoordig voor bij alle leeftijden, tijdens alle seizoenen (dus ook op de weide) en er worden steeds vaker gegeneraliseerde vormen vastgesteld. Anderzijds zijn er ook indicaties dat een eenmalige behandeling met macrocyclische lactones (e.g. ivermectine, doramectine en moxidectine), in vergelijking met vroeger, minder efficiënt is voor een volledige controle (Genchi et al., 2008). Niettegenstaande Psoroptes-schurft bij het BWB een groot en toenemend probleem vormt, wordt er op dit moment geen onderzoek over verricht en zijn er geen recente cijfers beschikbaar omtrent het voorkomen in België.
Uit de praktijk komen er tevens signalen dat een schurftprobleem sterk kan variëren in belang en controleerbaarheid tussen bedrijven. Er wordt meermaals gesuggereerd dat, naast de motivatie van de veehouder, bepaalde bedrijfsfactoren, zoals voeding en huisvesting, hierbij een rol spelen. De factor ‘voeding’ wordt vaak verondersteld de grootste invloed te hebben. Concrete wetenschappelijke bewijzen omtrent de invloed van bedrijfsfactoren op het verloop van een schurftinfectie zijn echter nog niet geleverd.
3. Doelstellingen van het project:
Het bepalen van het voorkomen van schurft in Vlaanderen en het vaststellen van de oorza(a)k(en) van variatie in deze schurftproblematiek op Vlaamse rundveebedrijven aan de hand van een enquête op 1500 bedrijven en een bedrijfsscreening op 100 bedrijven.
4. Werkwijze:
4.1. Vragenlijst
4.1.1. Selectie bedrijven
In eerste instantie worden 1500 bedrijven at random geselecteerd uit de Sanitel-databank. De enige selectiecriteria om in de studie opgenomen te worden zijn de locatie (Vlaanderen) en de aanwezigheid van minimum 20 dieren van het vleestype op het bedrijf. Zowel bedrijven met louter vleesvee als gemengde vlees-/melkvee bedrijven komen hiervoor in aanmerking. Daarna worden de betrokken veehouders gecontacteerd en gevraagd de enquête in te vullen en terug te sturen naar de Vakgroep Virologie, Parasitologie en Immunologie. Er wordt uitgegaan van een response rate van ongeveer 30%, waardoor van ongeveer 500 bedrijven informatie zal verkregen worden.
4.1.2. Verzamelen en analyseren enquêtegegevens
De enquête (Bijlage 1) wordt opgestuurd in het najaar van 2010, met de vraag om de ingevulde enquête terug te bezorgen binnen 1 maand. Afhankelijk van de respons rate worden bedrijven waarvan na 1 maand nog geen exemplaar ontvangen werd, opnieuw gecontacteerd. Het hoofddoel van de enquête is een idee te krijgen van de omvang en de aanpak van het schurftprobleem op een bepaald bedrijf.
Na verzamelen van alle enquêteformulieren, worden de gegevens geanalyseerd. Op basis van deze vragenlijst worden het gepercipieerd voorkomen en belang van schurft op Vlaamse rundveebedrijven ingeschat, alsook de eventuele correlaties tussen het optreden van schurft en parameters zoals ras, bedrijfsvoering, periode van het jaar, behandelingsstrategie,…
4.2. Bedrijfsscreening
4.2.1. Selectie bedrijven
Na analyse van de enquêteresultaten worden een 100-tal bedrijven bezocht. Er wordt gebruik gemaakt van vraag 7 uit de enquête (hoe wordt het schurftprobleem ervaren?) om de bedrijven te selecteren. Aan de hand van de enquêteresultaten worden alle deelnemende bedrijven ingedeeld in 2 categorieën:
- bedrijven zonder problemen (geen of gemakkelijk controleerbaar probleem)
- probleembedrijven (probleem niet controleerbaar of controleerbaar mits intensieve behandeling)
Op basis van het aantal vleesveebedrijven per regio en/of de respons per regio wordt binnen deze 2 subgroepen een gelijk aantal bedrijven geselecteerd. Door deze stratificatie wordt iedere Vlaamse regio volgens zijn belang vertegenwoordigd in het onderzoek. Indien de enquête een significante oververtegenwoordiging van BWB-runderen bevestigt, is een bijkomend criterium het hoofdzakelijk aanwezig zijn van BWB-runderen op het bedrijf.
De bedrijfsdierenarts van een geselecteerd bedrijf zal op de hoogte gebracht worden van het bedrijfsbezoek en kan dus, indien gewenst, aanwezig zijn tijdens de screening.
4.2.2. Screening
In de periode januari – maart 2011 wordt door een aantal onderzoekers van het labo Parasitologie een bedrijfsbezoek uitgevoerd op de 100 vooraf geselecteerde bedrijven. Per week worden ongeveer 10 bedrijven bezocht, waardoor de observaties in totaal ongeveer 10 weken in beslag zullen nemen. Bij dit bedrijfsbezoek wordt in eerste instantie een uitgebreide bedrijfsanamnese afgenomen, waarbij de toegepaste bestrijdingsstrategie van groot belang is. Deze laatste wordt kort geëvalueerd en er wordt besproken met de veehouder hoe deze geoptimaliseerd kan worden. Vervolgens worden een aantal parameters objectief geëvalueerd: de nadruk ligt hierbij op de objectieve bepaling van de graad van schurftbesmetting op het bedrijf en op de voeding. Bij het onderzoek van de voeding wordt vooral aandacht besteed aan de verhouding ruwvoer-krachtvoer en het (al dan niet) gebruiken van vitamine- en oligo-elementensupplementen. Wanneer voederanalyses beschikbaar zijn, worden ook de rantsoencomponenten (aard en kwaliteit) bekeken. Hierbij zijn zowel de energiewaarde (VEVI = voeder eenheid vleesvee intensief gehouden), als het eiwitgehalte (DVE = darm verteerbaar eiwit) en de verhouding van deze twee (OEB = onbestendige eiwit balans) van belang. Deze gegevens worden per leeftijdsklasse bepaald. Daarnaast worden van 6 gezonde dieren bloedstalen genomen. Hierop wordt zowel het koper- als het ijzergehalte in het plasma bepaald (Bijlage 2), waarna het serum ingevroren en bewaard wordt. Het doel van deze bedrijfsbezoeken is driedelig:
- De resultaten van de screening dienen als bevestiging van de antwoorden uit de initiële enquête. Ze vormen dus als het ware een controle van de betrouwbaarheid van deze enquête.
- Het is de bedoeling een eventueel verband aan te tonen tussen bepaalde bedrijfsparameters (in dit geval ‘voeding’) en het voorkomen van schurft.
- Tijdens het bedrijfsbezoek worden per bedrijf ook vijf huidafkrabsels genomen door de onderzoeker(s). Per dier wordt slechts één letsel bemonsterd. Indien meerdere letsels aanwezig zijn, worden stalen genomen van het grootste en/of meest actieve letsel. Deze afkrabsels worden enerzijds gebruikt om de enquêteresultaten te toetsen en anderzijds worden de verkregen mijten bewaard voor verder onderzoek aan het labo Parasitologie.
4.2.3. Analyse resultaten
De resultaten van de bedrijfsscreening worden geanalyseerd om een eventueel verband tussen specifieke bedrijfsparameters (ras/voeding/behandelingsstrategie…) en het voorkomen en de uitgebreidheid van schurft op Vlaamse rundveebedrijven na te gaan. Dit zou een verklaring kunnen geven voor de variatie in de schurftproblematiek tussen bedrijven, hetgeen op termijn kan leiden tot een betere preventie of behandeling van deze problematiek.
De huidafkrabsels worden in het labo Parasitologie geanalyseerd. Er zal een semi-kwantitatieve score (aantal mijten, leeftijdsstadia, …) toegekend worden aan het afkrabsel: hierbij zal onderzocht worden of deze score gecorreleerd is met de intensiteit van het schurftprobleem op het bedrijf en met de efficiëntie van de behandelingen.
5. Te verwachten resultaten:
De schurftproblematiek neemt in vergelijking met vroeger alsmaar toe, maar werd desondanks in Vlaanderen nog nooit becijferd. Dit onderzoek zal concrete cijfers beschikbaar stellen omtrent het voorkomen en de omvang van Psoroptes-schurft op Vlaamse rundveebedrijven.
Er zal tevens een idee verkregen zijn van de invloed van bepaalde bedrijfsparameters (zoals voeding en behandelingsstrategie) op het voorkomen en de uitgebreidheid van een schurftprobleem op Vlaamse rundveebedrijven. Parameters met een duidelijke invloed kunnen aan de basis liggen van het optreden van variatie in de schurftproblematiek tussen verschillende bedrijven onderling en kunnen later gebruikt worden om het probleem beter te bestrijden.
6. Mogelijke vervolgstudie(s):
Meerdere factoren zoals bedrijfsgebonden, rasgebonden of mijtgebonden factoren, kunnen een rol spelen in de overgevoeligheid van het BWB-ras ten opzichte van Psoroptes-schurft. Een volgend onderzoek kan bestaan uit een meer uitgebreide risico-analyse die zich richt naar andere bedrijfsgebonden factoren (naast voeding) en de impact van deze (risico)factoren op het voorkomen en de graad van schurftinfecties op verschillende bedrijven. De bedrijfsomstandigheden waaronder BWB-runderen gehouden worden, verschillen namelijk niet alleen qua voeding, maar ook qua bezettingsdichtheid, stalklimaat en staltype in vergelijking met die waaronder andere rassen (zoals melkvee) gehouden worden. Deze bijkomende bedrijfsfactoren kunnen dus ook een uitlokkende en/of faciliterende rol spelen in de evolutie van een schurftprobleem op het bedrijf.
Verder onderzoek kan handelen rond de overgevoeligheid van het BWB-ras op zich. Opsporen van de immunologische, genetische,… oorzaak van deze overgevoeligheid kan een volgende stap zijn naar het inperken van de schurftproblematiek.
Een derde onderzoeksmogelijkheid situeert zich op mijtniveau en bestaat uit het opsporen van eventuele variaties in mijtenstammen binnen de Psoroptes-speciës waarbij ook onderzoek naar eventuele resistentie-ontwikkeling bij mijten belangrijk blijft.
7. Budgettering:
- Leveren enquêteformulieren + analyse gegevens = 3000€
- Bedrijfsbezoeken = 3000€
- Analyse resultaten bedrijfsbezoeken = 1250€
- Analyseren bloedstalen (6.40€/staal) = 6x100x6.4+bloedbuisjes) - DGZ = 4000€
- Analyseren huidstalen (7.50€/staal) = 5x100x7.5 = 3750€
- Rapporteren resultaten = 2000€
- TOTAAL = 17.000€
8. Timing: